In 1874 publiceerde de Leeuwarder arts Johan Winkler het Algemeen
Nederduitsch en Friesch Dialecticon. Dit uit twee delen bestaande
dialecticon is een verzameling van 200 vertalingen van de gelijkenis
van de verloren zoon (Lucas 15, vers 11 tot en met 32) . Honderd
daarvan komen uit verschillende plaatsen in Nederland, de overige
zijn afkomstig uit neder-Duitsland en Vlaanderen: van Koningsbergen
(nu Kaliningrad) tot Duinkerken. Elk van die vertalingen is voorzien
van een inleiding, en van verklarende aantekeningen. Doordat telkens
dezelfde tekst als uitgangspunt is genomen, konden al die dialecten
goed met elkaar vergeleken worden. Johan Winklers werk is het
eerste boek waarin de dialecten van Nederland systematisch naast
elkaar worden gezet.
In de tijd waarin het Dialecticon verscheen was het dialect nog
de algemene voertaal in Nederland. Heel aarzelend was het Neder-ands,
tot dan toe voornamelijk een schrijftaal, zijn opmars begonnen
als gesproken taal. Winklers boek is daar getuige van: de imitatie
van het schrijf-Nederlands in de gesproken taal wordt door Winkler
Modern-Hollands genoemd, en volgens Winkler, die van deze vernieuwing
overigens weinig moest hebben, werd dat Modern-Hollands het meest
gesproken in Haarlem. Deze opmerking, in het tweede deel van het
Dialecticon gemaakt, is in schoolboekjes een eigen leven gaan
leiden, en voor heel veel Nederlanders is Haarlem daarom nog altijd
de stad waar het 'zuiverste' Nederlands wordt gesproken (maar
dat heeft Winkler nooit gezegd!).
In de huidige tijd is het Nederlands
in heel Nederland de algemene spreektaal geworden. Maar wat is
er dan nog van het dialect over? Om die vraag te beantwoorden
ben ik het onderzoek van Winkler gaan herhalen, voorlopig in al
de Nederlandse plaatsen die in zijn Dialecticon aan bod kwamen.
Natuurlijk lukte het niet om in al die plaatsen weer aan een vertaling
te komen. In en rond de Randstad is het dialect verdwenen, en
dat geldt soms ook voor plaatsen buiten de Randstad.
Toen ik bij de Fryske Akademy mijn licht opstak, wist men mij
te vertellen, dat op Vlieland geen dialect meer gesproken werd.
Merkwaardig, want van alle andere Waddeneilanden had ik wel een
vertaling kunnen krijgen, zelfs zonder daar veel moeite voor te
doen. Ik besloot zelf op onderzoek uit te gaan: wat zou er op
het eiland nog van het dialect over zijn? En wat zou men zich
nog weten te herinneren?
In april 1999 bracht ik een bezoek aan het eiland, met een tweeledig
doel: naast een ontspannende vakantie met het gezin het doen van
dialectologisch veldwerk. Hieronder breng ik van de eerste bevindingen
van mijn onderzoek verslag uit. Er worden wat woorden en klankverschijnselen
gepresenteerd die ons uit de geschreven bronnen - dat zijn er
niet zoveel: twee in de negentiende en twee in de twintigste eeuw
- zijn overgeleverd, en er wordt nagegaan wat er in nu nog van
bekend is, althans bij de twee zegspersonen die ik voor mijn onderzoek
heb bevraagd.
De eerste keer dat er melding wordt gemaakt van het Vlielandse
dialect is uit het boek(je) van F. Allan, 'Het eiland Vlieland
en zijne bewoners' uit 1857. Allan, die zelf op Marken woonde,
heeft een aantal beschrijvingen van eilanden op zijn naam staan:
Urk, Texel, Wieringen, Marken, en dus ook Vlieland. Helemaal aan
het eind van het niet zo omvangrijke werkje, na een overigens
buitengewoon positieve beschrijving van het volkskarakter der
Vlielanders, vinden we wat opmerkingen over het Vlielandse dialect.
Heel veel is het niet. Er worden een paar afwijkende woorden genoemd,
alle in de familiesfeer. Een pasgeboren kind heet een 'bijtje',
en een lief kind is een 'kosje'. Dat laatste woord is het enige
van de door Allan genoemde dialectwoorden dat ook in de twintigste
eeuw nog voorkomt, of liever gezegd: herinnerd wordt. De betekenis
is wel verschoven: rond het midden van deze eeuw wordt als betekenis
specifiek opgegeven 'meisje'. Een jongen is dan een 'seun'. Nog
later is het niet meer aan een leeftijd gebonden, maar wel specifiek
aan de vrouwelijke sekse. Volgens mijn informante kon
ook een volwassen man zijn volwassen vrouw aanspreken met 'kos';
andersom kon niet.
'Moeder' was in 1857 'mem', een woord met een ruime verspreiding
in de Nederlandse en Friese dialecten, maar in 1999 allang uit
het Vlielands verdwenen. Eveneens verdwenen is 'taat', vader.
Het woord kwam op alle Zuiderzee- en Waddeneilanden voor. In feite
gaat het hier om een voortzetting van een oud woord, 'atta', dat
eens over heel Europa verspreid moet zijn geweest. Het Gotische
'Onze Vader' begint met de woorden 'atta unsar' Het verklein-woord
daarvan is 'atilla' , 'vadertje', ook de naam van de gevreesde
Hunnenleider. Het Friese 'heit' is eveneens van 'atta' afgeleid.
Later zijn de '(at)ta' -vormen verdrongen door 'pater/vader' -vormen:
alleen aan de randen van het Europese continent, in behoudende
talen en dialecten, bleef het bewaard. 'Ta' vinden we niet alleen
rond de Wadden- en Zuiderzee, maar ook in het Albanees.
Allan beperkt zich niet alleen tot de afwijkende woorden. Over
het Vlielands in het algemeen schrijft hij: 'De Nederlandse taal
wordt hier met een bijzonder accent, alleen den Vlielander eigen,
uitgesproken. Bepaalde regels zijn er echter niet van te geven,
daar dezelfde klank in verschillende woorden ook verschillend
wordt gehoord. 'Het eerste verschijnsel dat hij noemt is het weglaten
van de 'h', en ook het plaatsen van de 'h' waar die juist niet
hoort. Dit verschijnsel keert in alle beschrijvingen van het Vlielands
terug, ook in die van E. Molenaar in dit tijdschrift, die het
verschijnsel Engels noemt. Dat is het niet. In het Engels wordt
de 'h' wel uitgesproken, al zijn er wel heel veel Engelse dialecten
die geen 'h' hebben. Maar als we in Nederland een dialect zonder
'h' tegenkomen, is dat een gevolg van de invloed van het Frans,
direct of indirect. Er zijn in Nederland twee grote aaneengesloten
gebieden waar de 'h' niet wordt uitgesproken: Zeeland en het westen
van Brabant is het ene gebied, West-Overijssel en Zuid-Drente
het andere. Zeeland en Brabant grenzen aan Vlaanderen, eveneens
zonder 'h', en Vlaanderen heeft dat verschijnsel weer overgenomen
uit het Franse taalgebied. Voor Overijssel moeten we denken aan
de elite in de IJsselsteden Kampen, Zwolle en Deventer, die in
de Franse tijd het Frans ging imiteren, uit snobistische overwegingen.
Het weglaten van de 'h' geldt trouwens nog steeds als heel erg
Frans; denk bijvoorbeeld maar aan de populaire (Engelse) serie
'allo, allo'.
Zowel vanuit Zeeland als vanuit Overijssel is de 'h'-loosheid
uitgestraald naar een paar andere plaatsen, die allemaal aan de
kust liggen. De Zeeuwse 'h'-loosheid werd over de Noordzee ge-transporteerd
naar Vlaardingen, Scheveningen, Noordwijk en zelfs Egmond. De
West-Overijsselse 'h'-loosheid bereikte over Zuiderzee en Waddenzee
Schokland, Urk, Volendam, Marken, Enkhuizen, en dus ook Vlieland.
Aan de randen van het 'h'-loze gebied is het verschijnsel overigens
ook weer verdwenen. Een kaart met alle plaatsen waar de dialecten
geen 'h' kennen uit het begin van de twintigste eeuwlaat een veel
ruimere verspreiding zien dan bijvoorbeeld een kaart die in de
naoorlogse periode is gemaakt. Tot de plaatsen waar de 'h'-loosheid
op een gegeven moment weer is verdwenen, behoort ook Vlieland.
De terugkeer van de 'h' begint overigens met de zogeheten hypercorrectie,
het plaatsen van de 'h' in woorden waar de 'h'niet hoort. Vaag
weten mensen dat in woorden die zij zonder 'h' uitspreken, en
die dus met een klinker beginnen, door anderen -bijv. toeristen-
wel een 'h' wordt uitgesproken. Men concludeert dan dat er in
die woorden eigenlijk wel een 'h' hoort, en begint vervolgens
van de weeromstuit! Àlle woorden die met een klinker beginnen
van een 'h' te voorzien - ook de woorden die in het Nederlands
wel degelijk met een klinker beginnen.
Goedbedoelde overdrijving dus, te 'netjes' spreken.
Andere verschijnselen die door Allan worden genoemd, zijn de
'ee' voor de Nederlandse 'aa' in een woord dat eindigt op een 'r' gevolgd
door een medeklinker, bijvoorbeeld 'paard' als 'peerd' uitgesproken,
een verschijnsel dat niet zo heel zeldzaam is in de Nederlandse
dialecten, en de opvallende uitspraak van de Nederlandse 'ij'
en 'ui'.
Aan dat laatste, veel zeldzamer verschijnsel wordt uitgebreid
aandacht besteed in de tweede studie waarin het Vlielands voorkomt:
het al genoemde 'Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon',
uit 1874, samengesteld door Johan Winkler. Dit dialecticon is
een verzameling van vertalingen van de gelijkenis van de verloren
zoon, en al die verloren-zoon-vertalingen zijn aan Winkler toegezonden
door lokale vertalers, waarvan sommige nog altijd een bekende
klank hebben: Van Dale (van het woordenboek) leverde de vertaling
in het dialect van Sluis, Cremer maakte de vertaling in het Over-Betuws,
en Kneppelhout vertaalde de gelijkenis in het Haags.
De Vlielandse vertaling werd (in 1870) gemaakt door J. Kooij,
volgens het opschrift boven de vertaling 'hoofdonderwijzer op
Flieland'. Deze Kooij is een oude bekende. In het voorwoord van
zijn boek bedankt Allan 'den Heer J. Kooij, openbaar onderwijzer
op Vlieland, die mij bij de samenstelling van dit werkje veel
belangrijks omtrent Zeds. woonplaats mededeelde'.
In zijn inleiding bij de Vlielandse vertaling gaat Winkler
uitsluitend in op het weglaten van de 'h', en de uitspraak van
woorden als 'tijd' en 'huis' in het Vlielandse dialect. Die woorden
hadden in het Vlielands een klank die nergens anders voorkwam,
en die ook heel lastig weer te geven was. 'Zo heeft het woord
tijd in het flielandsch een klank die tusschen tiid, tuud, tid
en tud in ligt [...] Zoo ook heeft 't woord "huis" en
andere woorden met 'ui', in 't flielandsch een klank die tusschen
lange 'i 'en korte 'u 'in ligt.' Zulke vreemde klanken was Winkler
vrijwel nergens anders tegengekomen, alleen, vreemd genoeg, in
een paar dialecten rond de Zuiderzee: Urk, Schokland, Enkhuizen
(soms noemt hij nog een paar andere dialecten, zoals dat van Vollenhove
of Huizen). Die merkwaardige verspreiding brengt hem dan op de
volgende gedachte: de sprekers van de dialecten van Vlieland,
Urk, Schokland, Enkhuizen etc. zouden wel eens afstammelingen
kunnen zijn van de bewoners van het eiland Flevo, dat vroeger
in het gelijknamige meer Flevo lag (in Visrestaurant Oosterbaan
hangt een kaart waarop die oude situatie prachtig te zien is).
Rond 1200 begon de zeespiegel te stijgen, en werd het meer Flevo
(later Almere genoemd) tot de Zuiderzee. Van het eens zo grote
eiland bleven niet meer dan Urk en Schokland, aanvankelijk nog
verbonden maar later gescheiden, over. De bewoners van de lager
gelegen gedeelten vluchtten naar de streken die wel boven water
bleven, en ze namen hun dialect mee. Dat dialect zou tot aan de
dag van vandaag, (dat wil zeggen: tot aan de tijd van Winkler)
onveranderd zijn blijven bestaan. Niet Winkler, maar de Nijmeegse
hoogleraar Van Ginneken voorzag deze taalkundige eenheid van de
naam 'Flevisch', naar het stamland waar de sprekers van het Flevisch
oorspronkelijk vandaan kwamen. Op dialectkaarten uit de eerste
helft van de twintigste eeuw, bijvoorbeeld Van Ginnekens 'Overzichtskaart
der Autochtone Nederlandsche Dialecten', uit 1917, zien we inderdaad
dat Flevisch ingetekend, onder andere op het eiland Vlieland.
In onze tijd geloven we niet meer dat dialecten al die eeuwen
door onveranderd zijn gebleven.
In plaats daarvan worden die vreemde uitspraak van 'ui' en 'ij'
nu gezien als overgangsklanken, in een proces waarin 'ie' tot
'ij ' wordt, en 'uu ' tot 'ui'. Overigens heeft dat proces niet
volledig doorgezet. De overgangsklanken zijn wel verdwenen, maar
in plaats daarvan is tegenwoordig toch soms een 'ie' of een 'uu'
te horen, bijvoorbeeld in 'knien' 'konijn' en 'huus' 'huis'.
Opvallend genoeg zijn juist deze 'ie' en 'uu', tezamen met het
weglaten van het 'ge'-voorvoegsel bij voltooide deelwoorden ('daan'
- 'gedaan', 'lopen' - gelopen) de enige afwijkingen van het Nederlands
die ook bij de jonge generatie Vlielanders nog wel gehoord worden.
Winklers verklaring heeft dan aan kracht verloren, maar zijn observatie
van die vreemde klanken in het Vlielands is natuurlijk heel interessant.
Des te merkwaardiger is het, dat het na het Dialecticon nog zestig
jaar duurt voordat de dialectologie weer naar het eiland terugkeert.
Dat is dan in de persoon van K. Heeroma, zelf geboren op Terschelling
(in 1909), en bij sommigen (bijvoorbeeld degenen die vertrouwd
zijn met het " Liedboek voor de Kerken", misschien beter
bekend als de dichter Muus Jacobse. Ook Heeroma maakt melding
van de eigenaardige uitspraak van 'ij'en 'ui'op Vlieland, al geeft
hij verder geen verklaring. Typische woorden noemt hij niet; het
is hem eerder te doen om klankverschijnselen, zoals het weglaten
van de 'h', de uitspraak van 'sch' als 'sk', en het weglaten van
'ge'- bij voltooide deelwoorden. Die uitspraak van 'sch' als 'sk'
en het weglaten van het 'ge' -voorvoegsel deelt het Vlielands
overigens met het Fries en met het Westfries.
Opvallend is verder wat Heeroma meedeelt over de positie van het dialect in de Vlielandse samenleving. Heeroma verzamelde zijn Vlielandse gegevens in de zomer van 1932, nu dus bijna zeventig jaar geleden, en hij schrijft: 'Op Vlieland was het onmogelijk op te tekenen uit de mond des volks daar ook in onderling verkeer het oude dialect nauwelijks meer gebruikt werd. Ik moest mij bepalen tot het stellen van vragen aan een paar oude inwoners van omstreeks 70 jaar'. Als we terug rekenen, 1932 min 70, dan moeten die Vlielanders dus in de jaren zestig van de vorige eeuw geboren zijn. Met andere woorden: ze hebben nog bij meester Kooij in de klas gezeten.
Een kleine twintig jaar na Heeroma's komst, in 1951, bracht
mevrouw Jo Daan een bezoek aan het eiland om een opname te maken
voor de Reeks Nederlandse Dialekt-atlassen, een uit zestien delen
bestaande serie waarin in totaal 1956 plaatsen in het Nederlandse
taalgebied aan bod komen. Het deel 'Noord-Holland', van de hand
van Jo Daan, vangt aan met Oost-Vlieland. Het is een van de eerste
dialectopnamen in ons land waarvoor een band-recorder gebruikt
werd. Dat ging niet zonder problemen. Toen de stekker in het stopcontact
werd gestoken, gaf de recorder een luide knal. Vlieland had toen
namelijk nog gelijkstroom, en daar was de recorder niet op ingesteld.
In de transcriptie van de opname komen we de bekende klankverschijnselen
van het Vlielands weer tegen: de 'h' wordt weggelaten (dan nog
wel), de 'sch' als 'sk' uitgesproken, de Nederlandse 'ij'en 'ui'
zijn steevast 'ie' en 'uu', het 'ge'-voorvoegsel bij voltooide
deelwoorden ontbreekt. De 'aa' is een 'ee' geworden, niet alleen
voor 'r' (' heer -'haar', 'keers' - 'kaars' 'peerd' - 'paard'
'weer' - 'waar'), maar ook in de woorden 'even ' - 'avond' en
'kees' - 'kaas'. In werkwoordsvormen vinden we soms ook van het
Nederlands afwijkende klinkers: 'sel'- 'zal, 'et' - 'heeft' 'leit'
- 'ligt' Opvallend zijn verder 'aars' - 'anders' , en 'moe'-
'moet', opvallend ook omdat deze woorden anno 1999 bij de informanten
nog wel herinnerd werden. Verder vinden we niet zoveel afwijkende
woorden in de opname van Daan. De oogst blijft beperkt tot 'doop'
(of 'stip') voor 'jus', en weer 'kos' of 'kosje' voor 'meisje'.
Ook deze woorden werden nu nog wel herinnerd, maar niet meer gebruikt.
De laatste spreekster die die woorden nog wel gebruikte, was
mevrouw P. (Petronella) de Boer-Zeylemaker; zij overleed in 1993,
op de gezegende leeftijd van 107 jaar. Dat was vlak voordat koningin
Beatrix op Koninginnedag een bezoek aan het eiland bracht, waarbij
ook een bezoek aan de laatste spreekster van het Vlielands op
het programma stond.
Deze mevrouw De Boer-Zeylemaker heeft ook als zegspersoon gediend
voor mevrouw Daan; toen was ze 66 jaar, en dat was jong, want
de andere twee informanten waren 78 en 84 jaar oud.
De reden waarom mevrouw Daan zulke oude informanten koos was dezelfde
als waarom Heeroma zijn toevlucht tot de zeventigjarigen nam:
er werd toen door de jongeren al nauwelijks meer dialect gesproken.
In een toelichting schrijft ze: 'Er wonen nog maar weinig echt
Vlielandse families op het eiland. Vele jongeren trekken weg als
zeeman of naar de vastewal. Een aantal Terschellingers heeft hun
plaats ingenomen en ook een aantal bewoners van de vaste wal (Friesland,
Groningen, Noord-Holland)'. Het hierboven gegeven dialect is dat
van enkele oudere Vlielandse families die zich echter langzamerhand,
vooral onder invloed van de zomergasten, een taal eigen maken
die het A[lgemeen]. B[eschaafd]. benadert.
De leeftijd van de twee oudste informanten van mevrouw Daan
is, als gezegd, 84 en 78 jaar.
Gaan we nu terug rekenen, dan moeten ze in de jaren zestig en
zeventig van de negentiende eeuw geboren zijn. Vroeg genoeg om
bij meester Kooij in de klas gezeten te hebben, die, zo weten
we, in ieder geval tussen 1857 en 1870 aan de Vlielandse openbare
school verbonden was, in dat eerste jaar als onderwijzer, in het
als tweede genoemde jaartal als hoofd.
In al onze beschrijvingen van het Vlielands keert meester Kooij
op de een of andere manier terug. Bij de twee negentiende-eeuwse
beschrijvingen heeft hij zelf een actieve bemiddelende rol gespeeld.
En bij de twee twintigste-eeuwse opnamen zijn de informanten zo
oud, dat het zeer waarschijnlijk moet worden geacht dat ze bij
meester Kooij in de klas hebben gezeten.
Hun Vlielands is het Vlielands dat ze in de tijd van meester Kooij
geleerd hebben.
Wie was meester Kooij? Het Vlielandse gemeente-archief, waarin
negentiende-eeuwse stukken toch al schaars zijn, meldt niets over
hem: geen acte van benoeming, geen jaarverslag, niets.
Op het Meertens Instituut, waar de correspondentie van en met
Johan Winkler bewaard wordt, is van zijn hand niets te vinden.
Kooij behoorde als dorpsonderwijzer nu eenmaal niet tot de kring
van grote namen wier nalatenschap bewaard moest blijven.
Afgezien van die twee vermeldingen in negentiende-eeuwse bronnen
is er nog een herinnering aan de man die voor het Vlielands, zeker
in zijn oudere vorm, onze enige toeverlaat is. Op de laatste dag
van mijn expeditie wandelde ik over het kerkhof van Vlieland.
En daar trof ik zijn steen:
Stille getuige van een man (en zijn (klein)dochter?) die nog altijd tot ons spreekt door die twee werken waar hij zijn kennis over het Vlielands aan bijdroeg; stil ereteken voor een van de vertalers in dat fameuze, onsterfelijke 'Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon'